Zijn onze teamcompetities achterhaald?

 

De Belgische, Nederlandse, Franse en Duitse teamcompetities hebben evenveel bijgedragen aan de driebandenhistorie als de World Cups, in de afgelopen dertig jaar. Caudron maakte er 50 in 9 (tot drie keer toe) in teamverband. Merckx vestigde zijn wereldrecord van 50 in 6 in de Bundesliga. Blomdahl was de eerste die ooit boven de 2.000 speelde gedurende een heel seizoen (2.017, in 1998). Onze recordboeken zouden de helft dunner zijn, zonder de landelijke competities.
Maar is het allemaal goud en goed nieuws? Willen we het zo houden, omdat het perfect werkt? Ik heb er mijn twijfels bij. Driebanden is een individuele sport, en onze gehechtheid aan de teamcompetities heeft een prijskaartje.
Ook voor driebandenspelers geldt de wet van vraag en aanbod. In een sterke economie (jaren negentig) zijn de goede spelers in trek en dat drijft de prijs op. De iets mindere goden kunnen ook wat verdienen, want als je de Maserati niet kunt krijgen dan neem je de Alfa Romeo. In een recessie (sinds 2007) moeten de topspelers genoegen nemen met minder, en verdient de tweede garnituur helemaal niets meer.
Wil een Europese biljarter van zijn sport leven, dan is hij bijna gedwongen om in meerdere competities uit te komen. En dat doen ze: sommige beroepsspelers zijn actief in Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Portugal en Oostenrijk. Dat klinkt als een jongensdroom: biljarten en geld verdienen. In werkelijkheid is het een onzeker bestaan met veel stress en vermoeiende reisuren. Maar de opties zijn beperkt: een parttime baan, lesgeven, of zoveel mogelijk competities spelen.
De spelers van 1.500 en hoger, die redden zich ermee, ook in deze recessie. Maar kijk eens naar de situatie van een opkomend talent. Met zijn moyenne van 1.200 kan hij nog niets verdienen in het buitenland. In eigen land zal hij vaak nog niet de koppositie in zijn team hebben. Kortom: hij speelt maar zelden tegen een echte topper. Als hij het vak wil leren door aan World Cups mee te doen, dan moet dat allemaal uit eigen zak betaald worden: de inschrijving, reis en verblijf, het hotel. De pre-pre-kwalificatieronden zal hij wel overleven, maar op dag drie is er altijd wel een ervaren prof die hem met 40 - 23 in 18 naar huis stuurt. Er zijn maar weinig (jonge) mensen die het zich kunnen veroorloven om een week vrijaf te nemen van hun normale baan, en vervolgens - afhankelijk van de locatie - € 1.200 tot € 2.000 te investeren in 18 leerzame beurten.
Een talent wil de ladder beklimmen: stijgen op de ranking. Maar gemotiveerd blijven is moeilijk, als het niet uitmaakt of je 150e of 15e staat. Je bent pas echt een prof als je de top-12 status hebt, maar zie daar maar eens te komen. Dat kun je 10 of 15 jaar proberen en het nooit halen, zelfs als je van wereldniveau bent. Vraag maar aan Eddy Leppens. Je kunt de wereldtitel winnen, de nummer één op de ranking zijn, en dan na een wat magerder seizoen alweer bijna uit de top-12 duikelen. Vraag maar aan Frédéric Caudron.
Een jonge, getalenteerde driebandenspeler moet een kop van graniet hebben. Want hij bonkt ermee tegen een gesloten deur.
Waarom zijn de Europese topspelers zo oud? Anders geformuleerd: waar zijn de 27- en 34-jarige spelers die zagen aan de stoelpoten van Caudron (48), Jaspers (50), Zanetti (53) en Blomdahl (53). Zijn de oudjes gewoon te goed? Ja, dat zijn ze. Omdat ze al een kwart-eeuw leven als een driebanden-professional, en dat is nou precies voor wat de generatie na hen onmogelijk was.
De top-Europeanen zijn door alle wateren gewassen. Ze hebben leren omgaan met Platin tafels in Turkije, met Min biljarts in Korea, met Verhoevens en Gabriels in Europa. Ze kunnen hun spel aanpassen aan alle omstandigheden, en omgaan met wedstrijd- en toernooidruk. Ze zijn cum laude afgestudeerd aan de biljart-universiteit. De post- Blomdahl/Jaspers generatie wilde die studie ook wel volgen, maar het collegegeld was niet meer op te brengen.
Een biljarttalent anno 2016 heeft feitelijk geen kans om de gevestigde elite in te halen. Ook met alle aanleg van de wereld kom je tekort: in tijd, geld en ervaring. De meesten proberen het daarom niet eens meer. Het gevolg: de biljartwereld heeft nog een handvol koningen, maar een tekort aan prinsen.
Het is één van de grote verschillen tussen West Europa en Korea: onze gehechtheid aan teamcompetitie, hun nadruk op individuele strijd. We moeten daar eens ernstig over nadenken, zonder vooringenomenheid. Misschien hebben zij het wel bij het rechte eind, en zitten wij vast in achterhaalde tradities. Ik propageer niet dat we meteen maar moeten stoppen met onze Eredivisie. Maar het lijkt me wel hoog tijd om het teambiljarten een minder zwaar beslag te laten leggen op de biljartkalender. De dubbele weekenden, heel gangbaar in Duitsland, zouden ook in Nederland weer hoog op de agenda moeten worden gezet.
De Aziaten kennen geen teamcompetitie, driebanden wordt gezien als een individuele sport. In Korea zijn kleine, lokale toernooien aan de orde van de dag, en meestal is er wel iets te verdienen. In Vietnam komen twintig driebandenspelers de biljartzaal binnen met vijftig dollar. Twee dagen later loopt er één naar buiten met duizend dollar. Iets van die spirit kunnen we wel gebruiken, hier in Europa.

Bron: Kozoom  & Bert VAN MANEN, 5 februari 2016

Next please